Laatste berichten

Mijn foto

Oude Berichten

Neem inhoud van deze site over (XML)
web-log.nl, powered by TypePad

Ik ben Jolien, 24, maar als mensen me vragen hoe oud ik ben, zeg ik altijd per ongeluk 22. Ik kom oorspronkelijk uit het oosten des lands, maar woon nu in Amsterdam en wil daar voorlopig niet meer weg. Als mensen aan me vragen waar ik vandaan kom voel ik me altijd een beetje betrapt en ben ik bang dat ze vinden dat ik een boerenaccent heb. Ik studeer al zeven jaar en droom de laatste tijd regelmatig dat ik Peter Pan ben en nooit hoef te werken. Ik hou niet van werken. Ik ben er achter gekomen dat je nagels roodlakken het leven niet mooier maakt, maar doe het nu uit gewoonte. Ik heb een hekel aan de winter en denk op de één of andere manier dat ik het van de kou kan winnen, daarom heb ik al twee jaar geen winterjas. Ik moet stiekem lachen als mensen struikelen, heb een hekel aan schreeuwerige meisjes met te grote oorbellen en wil nog niet dood gevonden worden in uggs met balletjes. Ik ben blij met het rookverbod in de horeca, maar vind het stiekem wel lekker om mijn lief te zoenen als ze net heeft gerookt. Op aanraden van diezelfde lief begon ik ooit een weblog. Ik denk omdat ze hoopt dat ik minder praat en in plaats daarvan de dingen opschrijf. Ik betwijfel of het werkt, maar zie hier het resultaat.

lieve wende

Gister zag ik je in de Kleine Komedie. Mijn broertje is al weken in de ban van je nummer ´laat me´ (en brengt dat ongevraagd non stop ten gehore aan ons familie), een goede reden dus om hem eens mee te nemen. Nu moet ik zeggen dat ik een x aantal jaren geleden je cd ook regelmatig draaide, vooral ´au suivant´ (heerlijke franse bombarie over hoeren en het leger, waar hoor je dat tegenwoordig nog?). Ik was dan ook helemaal blij dat je die gister ook liet horen. Want hoe je daar dan staat te gebaren, galmen en zuchten, pfoe. Alleen, had je wat last van je keel? Ik ben natuurlijk bepaald geen kenner, maar het klonk wat schor. Iets wat de show waarschijnlijk alleen maar ten goede kwam, onder het mom ‘sexy heesheid’ (zo na een avond flink doorhalen en per ongeluk toch veel te veel sigaretten en dan, terwijl je slaperig om je heen kijkt, zo met je haar vreselijk door de war, die eerste rauwe “goeiemorgen”).

Toch moet ik zeggen: ik vond je er wel wat breekbaar uit zien. Misschien is het slechts een hardnekkig griepje, maar toch. Toen je opkwam stootte mijn broertje me even aan en fluisterde “wat is ze dùùùn”. En dat heeft natuurlijk wel wat, maar toch. Eet je wel goed? Misschien moet je eens langskomen voor een bordje volkorenpasta, daar is immers nog nooit iemand slechter van geworden. Er gaat niets boven een goeie mep koolhydraten (nou ja, behalve bijvoorbeeld goeie wijn, nachtenlang onstuimige seks en de geur van robijnfrisse lakens - misschien niet persé in die volgorde). Ik keek wel met ontzag naar je armen. Yuri van Gelder is er niets bij. Zelden zulke mooie vrouwenarmspieren gezien (een compliment van formaat). Hoe vaak kun je je opdrukken?

Toen na drie toegiften en vier staande ovaties het licht dan toch maar aanging, belde mijn vader om te vragen of Wende Snijders nog steeds zo leuk was. Want ja, ook hij is volkomen hooked, sinds hij je ooit eens zag op een hip dichtfestijn. Laatst vond ik het briefje terug wat je toen voor hem schreef (iets over de immer bestaande behoefte aan tuinmannen). Ik heb het afgelopen Sinterklaas ingelijst (incluis gedicht over de midlife crisis en pathetische verliefdheden op jonge blommen) en het hangt nu in zijn slaapkamer, ik verdenk hem er van dat hij er dagelijks onder het tandenpoetsen naar staart, natuurlijk alleen als mijn moeder niet kijkt. Maar dat terzijde. Ik vertelde mijn vader dat hij een luie dreutel was en dat hij zelf maar naar je voorstelling moest gaan, in plaats van zo schaamteloos via zijn kinderen te leven. Zo die zat. En toen dook ik met mijn broertje de kroeg in om hem te leren drinken als een vent.

Maar wat ik maar zeggen wilde, lieve Wende: ik zag je voorstelling en het was mooi. Het deed me denken aan rauwe vrouwenstemmen, volkorenpasta en de olympische finale ringen, en dat is natuurlijk altijd goed. Volgend seizoen weer, dan misschien met mijn vader.

ik consumeer dus ik besta

Op 28 april 2006 begon ik aan mijn scriptie. Sinds die tijd heb ik 2 liefdes versleten, 1 nieuwe studie gedaan, 3 baantjes gehad en ben ik 7 keer naar de kapper geweest. Ook heb ik 18 dagen onderzoeksdata ingevoerd, 94 wetenschappelijke artikelen gelezen, 1 wetenschappelijk artikel gepubliceerd en 261 keer e-mail contact gehad met mijn scriptiebegeleidster.

Mijn scriptie heet ‘ik consumeer dus ik besta’ en gaat over de terror management theorie. Deze theorie stelt dat mensen ontzettend bang zijn voor de dood, zó bang dat ze er absoluut niet mee om kunnen gaan. En als mensen dan toch worden geconfronteerd met de dood (dat heet dan sterfelijkheidssaillantie, -wanneer de dood saillant wordt gemaakt), nemen ze hun toevlucht tot defensieve mechanismes. Dit betekent dat mensen dan heel erg gaan investeren in hun eigenwaarde (want als je je goed voelt over jezelf, waan je je op één of andere manier sterker dan de dood) of ze gaan heel erg investeren in hun cultureel wereldbeeld (want als je onderdeel bent van een sterke cultuur, geeft dat zekerheid en ben je dus ook minder bang voor de dood). Erger nog: als mensen aan de dood denken gaan ze zichzelf niet alleen boosten, ze vallen ook anderen aan (want, is de gedachte, als anderen/andere culturen slechter zijn, maak dat henzelf beter).
De terror management theorie is dus nogal een rare theorie, althans dat dacht ik. Maar het is aangetoond dat wanneer mensen met de dood worden geconfronteerd, ze zich gek gaan gedragen. En dat kan op veel verschillende manieren. Zo gaan mensen na sterfelijkheidssaillantie sneller autorijden, meer stereotypisch denken, willen ze meer kinderen en geven ze meer geld aan goede doelen. Maar ook zijn mensen niet te beroerd anderen aan te vallen of te discrimineren. Het is dus nogal wat, die dood en wat het met ons doet.
Nu vond ik dit een erg interessante, maar ook wat deprimerende theorie. En dus bedacht ik dat er misschien ook wel een omgekeerde aan zat. Want wat zou er gebeuren als mensen niet aan de dood, maar aan het leven denken, oftewel: tot wat voor gekke dingen leidt de zogenaamde levenssaillantie?
Na maanden (wat zeg ik, jaren!) zwoegen kon ik aantonen dat levenssaillantie inderdaad bestaat en dat denken aan het leven tot tegengestelde effecten leidt dan denken aan de dood. Uit mijn onderzoek bleek dat wanneer mensen worden geconfronteerd met ‘het leven’ ze van plan zijn minder geld uit te geven en kopen ze ook daadwerkelijk minder.

Nu, twee-en-een-half jaar later, is mijn scriptie eindelijk af. Het was een hele bevalling, op zijn minst.

Net belde mijn scriptiebegeleidster. Ze vond het fantastisch. Ik heb een 9.

~

Ik consumeer dus ik besta.pdf
Voor de geïnteresseerden onder ons: dit is 'em dan. Klik om te openen.

poep

Zoals het een echt modaine familie betaamt, vierden wij sinterklaas niet op 5, maar op 6 december. Hoewel, een echt mondaine familie viert kerst en natuurlijk niet zo’n burgerlijk iets als sinterklaas, -maar dat terzijde. Eigenlijk zijn wij sowieso niet zo mondain, bij ons draait het vooral om zoveel mogelijk cadeau’s en zo vuig mogelijke gedichten. Dit jaar was een goed jaar. Zo kreeg ik onder andere een vuistdik kookboek en een +15 kg zware grillpan. Het beste gedicht van de avond kwam van mijn hand, ook al mag je dat eigenlijk niet zo zeggen over jezelf. Het cadeau betrof een rol wc papier met kerst-print, de gelukkige was mijn vader, die altijd vre-se-lijk om poep moet lachen (eerlijk waar, zeg één keer het woord ‘stront’ en hij begint als een schoolmeisje te giechelen).  Hij deed er ongeveer 10 minuten over het voor te lezen, voornamelijk vanwege hysterisch lachen (wat meer zegt over hem dan over mijn gedicht, denk ik). Maar het werkte bijzonder aanstekelijk, ik heb zelden zo’n leuke avond gehad. En die grillpan was een leuke bonus.

~

Lieve Rolf

Uitwerpselen en ontlasting
Een bolus draaien, overbelasting
Lekker drukken en flink bouten
Een pot vol drek, ongezouten

Een zak tuinaarde open scheuren
De wc-eend voeren, moet gebeuren
Lekker de aambeien smeren
De pot vol beuken, een bolleke parkeren

Poepie kakkie op de plee
Verse ontlasting en diaree
Feces, drek, een dikke drol
Is  het closet nou nog niet vol?

Een flinke biels, een grote hoop
Lekker ruften, uitverkoop
Defecatie, flatulentie
Excrementen, decadentie

Ontzettend ruften, flink wat kleien
Wat een hoop, strontpartijen
Dikke schijt of lekker dun
Uit de broek hoesten, voor de fun

Je reet af vegen met de kerst
Een fikse vlaai, lekker verst
Even de wc-goden aanroepen
Om op kerst te poepen

Uit de bilnaad gieren, gore meuk
Kerst is stom, stront is leuk
Daarom dit cadeau
Lekker schijten op niveau

Groetjes van de sint
Drol

goed voornemen

Met goede voornemens kun je nooit genoeg beginnen (en het liefst niet op 1 januari). Bij deze het mijne: weer een beetje webloggen. Het lange uitblijven van nieuwe stukjes wijt ik overigens aan de scriptie: zelden werd alle creativiteit zo uit mij gezogen. Ik werd er ook een beetje apathisch en hypochondrisch van, maar dat is een heel ander verhaal. Hoe dan ook. De stukjes volgen vast snel. Hoezee!

p.s. Zaaaalig sintnicolaasfeest!

lindsay of het verhaal van de zoete vrouwenzoen

Tot een paar weken geleden had ik geen idee wie Lindsay Lohan was. Nu surf ik elke dag obsessief naar sites als people.com, e-online en de Britse mirror (die is vooral heel sappig) om via schimmige foto’s en dubieuze verklaringen van ‘someone close to Lindsay’ maar niets te hoeven missen van de lindsay-turned-gay-gekte. Het punt dat ik wil maken: ik ben een sucker voor alles wat ook maar een beetje homo-raakvlakken heeft.

Toen bekend werd dat er een homo-verhaallijn in Onderweg naar morgen zou komen (u weet wel, ongeveer 800 jaar geleden, toen het nog ging om de Couwenbergs en Reitsema’s en sporadisch te zien was hoe Lotus en Renee besmuikt achter de balie zoenden) nam ik elke aflevering op. Hetzelfde gold voor GTST toen naar buiten werd gebracht dat het één en ander zou gebeuren tussen Charlie en Isabella. Ik heb maanden tenenkrommend slecht acteren doorgeworsteld, in de ijle hoop dat de twee meiden volgens het script nu echt heel erg stomend gingen seksen. Want dat is dan ook zo iets. Het maakt me allemaal niet zo uit wat de lesbo’s in kwestie meemaken, eigenlijk wacht ik vooral op de betere zoen- en seksscènes. Ik weet niet wat het is (of eigenlijk weet ik heel goed wat het is, -maar dit staat beter). Altijd al gehad. Neem Fucking Åmål. Ik was 14 toen die film uitkwam, zag hem twee keer in de bioscoop en had een beduimeld opgenomen-van-belgië-één-videobandje op de kop getikt. Die keek ik over-en-over (ik spreek hierdoor dus serieus een aardig mondje Zweeds). En dan vooral het stuk dat Agnes en Elin achterin die auto zitten en voor het eerst zoenen. De muziek zwelt op (I wanna know what love iiiiis, I want you to shohow me -zong ik dan zachtjes mee) ze kijken elkaar aan en je voelt tot in je tenen dat het nu echt gaat komen. Poeh. Lekker hoor. Ik heb dan ook een paar tranen gelaten toen ik de videoband zo vaak terug had gespoeld en stilgezet, dat er precies op dat moment een onverbiddelijke zwarte streep door het beeld liep. Gelukkig kende ik het door en door en bleef het in mijn hoofd naspelen, stiekem verlangend naar mijn eigen eerste meisjeskus.

Inmiddels zijn we tien jaar verder en is er gelukkig het één en ander veranderd. Die eerste meisjeskus kwam er, en hóe. En ook de eerste meisjesliefde, -seks, -drama’s en andere perikelen volgden. Been there done that, zou ik zeggen. Maar al deze ervaringen uit de eerste hand, kunnen maar niet wegnemen dat ik het liefst elke lesbokus ooit ergens vertoond op film/tv/internet wil zien. Wat is dat toch? Die enorme en blijvende vereenzelviging met de dyke? Ik bedoel, ik kijk ook graag naar films waarin hetero’s kussen, maar toch, die aanblik doet me nauwelijks iets. Terwijl bij het zien van twee vrouwen… (dit zijn betekenisvolle puntjes)

Hoewel het niet echt een probleem is, vind ik het zoeken naar zoete vrouwenzoenen wel wat puberaal van mezelf en hoop ik dat het toch een keer over gaat. Ik heb er een goed gevoel over. Vooral omdat ik tot dat moment de tijd kan doden door als een malle over het wereldwijde web te surfen, op zoek naar nieuws over de lesbische avonturen van Lindsay Lohan.

~

maakt u zich geen zorgen

Ik leef nog. Al scheelt het niet veel. Met zelfgediagnoseerde bochel, rsi en staar is de conceptversie inmiddels af en nagekeken. Mijn scriptiebegeleidster zei, toen ik toch wat nerveus (ik was voor het eerst weer buiten) haar kamer binnenschuifelde “ik vond het fantastisch en was zelfs een beetje ontroerd”. Ik zakte bijna door mijn knieën van opluchting. En hoewel ik er (stiekem) ook wel trots op ben en hem (iets minder stiekem) tegen het geniale aan vind zitten, weet ik niet of het het allemaal waard was.

In de eerste week waren de fruitvliegjes en meters afwas wel leuk, maar nadat ik in de tweede week een paar keer bleef vastplakken aan de keukenvloer (ik had sinas gemorst) en steeds zo’n 20 minuten nodig had om los te komen, was de grootste lol er wel vanaf. Ook het feit dat de pizzabezorger me na de eerste week bij de voornaam noemde en na de derde week fooi weigerde ‘omdat ik het zelf nodig leek te hebben’, was een dubieuze bijkomstigheid. Maar het vervelendst was toch wel dat de scriptie op de één of andere manier al mijn energie nodig had en niet te beroerd was die bruut uit me te zuigen. Samen met de wil tot een sociaal leven, de kunst fris te ruiken en het vermogen fatsoenlijk te slapen zonder uren te liggen piekeren over correlaties, variantieanalyses en biased outcomes.

Maar het einde is inzicht. Gelukkig. Vannacht sliep ik voor het eerst sinds tijden meer dan vier uur achter elkaar (ik sliep van acht uur ’s avonds tot half elf vanmorgen, -ik vind het nogal indrukwekkend) en voor het eerst had ik geen nachtmerrie over een heftige brand die de enige versie van mijn scriptie vernietigd.

Ja, ik ben op de goede weg. Ga ik nu nog even verder, de laatste loodjes roepen.

kluizenaartje spelen

Soms hou ik ervan me voor alles af te sluiten. Dat wil zeggen, dat moet van tijd tot tijd en dan hou ik er van. Ik moet een scriptie schrijven en om daad bij woord te voegen en tevens Echt Serieus Mijn Best Te Doen heb ik mijzelf deze week opgesloten in mijn huis. Mijn huisgenoot is er goddank niet, vrienden negeer ik en zelfs mijn lief heb ik voor een week verbannen. Totale eenzaamheid. Maandag deed ik voor een hele week verantwoorde boodschappen (veel koffie), ik deed een laatste keer de afwas en draaide de sleutel in het slot.

Ik geniet er van om zo alleen te zijn met mezelf. Ik rol er zelfs een beetje in en probeer het ten volle uit te buiten. Ik hang de getergde kunstenaar / wetenschapper uit en richt me expres op niets anders dan de scriptie. Ook niet op eten, de afwas, opruimen en schone kleren. Omdat daar nu eenmaal geen plaats voor is in mijn drukke wetenschappelijke leven en ook omdat het zo goed past. Mijn bureau staat vol met lege en halfvolle koffiekopjes. De opgestapelde afwas raakt het plafond en op de keukentafel ligt een waaier van vijf dagen eten waar ik gedachteloos wat aan geknabbeld heb en nog steeds niet heb opgeruimd / weggegooid / opgegeten. Ik heb al een paar dagen niet gedoucht en leef en slaap ook al die zelfde paar dagen in hetzelfde hempje en dezelfde korte broek. Ik voel me vies maar toch erg schoon. De scriptie vordert gestaag en de fruitvliegjes zoemen gezellig om mijn hoofd. Maar vanavond komt mijn lief weer. Eindelijk. En hoewel ik haar zelf verbannen heb en haar volgende week wederom zal verbannen, ben ik blij dat de regel ‘geen verbanning in het weekend’ nu eenmaal is. Betekent wel dat ik afscheid zal moeten nemen van de vrienden fruitvliegjes, de vrolijke afwas en de gezellige smoezelige kleren. Want alleen omdat ik een vies kluizenaartje ben, hoeft mijn lief dat nog niet te weten of daarin te delen. En dus neem ik met pijn in het hart afscheid van mijn morsigheid en ga ik beginnen aan een kleine grote schoonmaak van lijf, leden en keuken.

Volgende week gelukkig weer een eenzame opsluiting met alle vrolijke viezigheid die daar bij komt kijken.

retourtje

Een retourtje Amsterdam - Deventer kost zestien euro en tien cent. Dat is het dus vaak niet waard. Ja, misschien wel voor de terugreis, maar zeker niet voor de heenreis. Het is namelijk niet bijzonder leuk in Deventer. In ieder geval minder leuk dan in Amsterdam. Behalve afgelopen weekend. Ik weet dat de befaamde gay pride in town was, maar ik was elders nodig. In Deventer dus. Daar was namelijk het jaarlijkse tuinfeest en de (ook jaarlijkse en tevens grootste van Europa) boekenmarkt. Mijn weekend was vreselijk de moeite waard en kende een aantal hoogtepunten, in de vorm van Simon Vinkenoog (die op twee meter afstand in een plantenbak zat en een vette joint rookte), mijn moeder die zo vreselijk dronken werd en mijn vader die, toen hij haar waggelend en lallend voorbij zag lopen, met een mengeling van vrolijkheid en verontwaardiging riep 'mens, je bent zo zat als een maleier'.
Het echte hoogtepunt vond ik echter op de boekenmarkt. In de vorm van Murakami boeken voor een prikkie en een kick-ass boek over de evolutie van seks bij dieren, getiteld 'Dr. Tatjana weet raad'. Aan de hand van ingezonden brieven beantwoord dr. Tatjana vragen over het seksleven van dieren. Een greep uit de onderwerpen, aangebracht door allerlei dieren: langdurige copulatie (wandelende takken), vreemdgaan (winterkoninkjes), vrouwen met losse zeden (honingspeurders), verkrachting (eenden), homosexualiteit (zeekoeien), incest (allerlei mijten), kannibalisme (sprinkhanen), hermafrodieten (slakken).

Beste dr. Tatjana,

Ik ben een Europese bidsprinkhaan en ik heb ontdek dat ik meer van seks geniet als ik eerst het hoofd van mijn minnaar eraf bijt. Dat komt omdat hij opwindende spasmen krijgt als de kop eraf is. Het lijkt wel of ze dan minder remmingen kennen en meer haast hebben - het is geweldig. Denk jij er ook zo over?
      - Ik Heb Ze Het Liefst Zonder Kop uit Lissabon

Zeker een retourtje Amsterdam - Deventer waard, lijkt me.

hoera

Vandaag ben ik jarig. Ik mis een beetje de kinderlijke blijdschap van vroeger (gillend om zes uur 's ochtends het bed van je ouders inspringen en dan de hele dag uitgelaten spelen met je nieuwe rolschaatsen), maar verder is het leuk. V. heeft slingers opgehangen en mijn stoel versierd. En een taart gemaakt van chocoladeslagroomsoesjes.

Als mensen aan me vragen hoe oud ik ben, stotter ik altijd een beetje. Het is misschien een beetje raar, zo op deze leeftijd, maar ik vergeet vaak hoe oud ik ben. En dan moet ik altijd even nadenken en om me heen kijken of er iemand in de buurt is die het wel zeker weet. Ik hoop dat dit is afgelopen nu ik 24 ben. Ik vind 24 wel mooi. Veel beter dan 23, dat was toch niet echt mijn leeftijd. Maar 24 komt wel dicht bij mijn scary-age 27, de leeftijd waarop het echt menes wordt. Gelukkig heb ik nog even. Ga ik nu heel uitgelaten chocoladeslagroomsoesjes eten. En misschien wel een klein foodfight beginnen. Ik ben ten slotte pas 24.

een jonge knappe adonis

Ik zit in de tuin van mijn ouders aan mijn scriptie te werken. Ik vind het eigenlijk te warm en word zo sloom van dit weer. Maar je moet natuurlijk toch van deze zomerse temperaturen genieten, voor je het weet is het weer winter. Zoiets. En dus zit ik al een tijdje in de semi-schaduw te semi-studeren.
Mijn vader heeft geen last van de warmte, maar ik denk eigenlijk dat zijn midlifecrisis hierin meespeelt. Vandaag was hij vrij. Toen ik rond een uur of elf slaperig naar beneden stommelde struikelde ik bijna over hem terwijl hij op zijn knieën de wc aan het schoonmaken was. Het was toch een beetje een schok.

De afgelopen uren is hij, de meest onhandige persoon die ik ken, bezig geweest het tuinmeubilair te schuren. Wat betekent dat hij af en toe een kwartiertje lawaai maakt met één of ander apparaat en vooral een beetje rond loopt met een spafles terwijl hij blijft zeggen dat het zo warm is. Net ging hij achter me staan en gooide hij een scheut water over mijn hoofd. Ik bedoel maar (ik pakte zijn fles af, gooide hem ook een beetje nat en ging gedecideerd weer aan de scriptie).
Vader scharrelt nog steeds een beetje rond met z’n fles, schuurpapier en een stapel kranten (ik weet ook niet hoe hij het in zijn hoofd heeft). Hij heeft alleen een korte broek aan en als onze blikken elkaar toevallig even kruisen doet hij steevast een bodybuilder na. Volgens mij denkt hij dat hij er heel goed uit ziet en ik heb het hart niet deze misvatting tegen te spreken. Terwijl ik dit typ komt hij naast me staan en vraagt me of ik zijn rug wil in smeren. Want hij gaat de bank oliën en ‘zijn goddelijke torso mag niet verbranden’. Terwijl ik zijn rug insmeer zingt hij ‘oh wat word ik bruin, oh wat word ik bruin’.

Ik besluit dat ik me niet kan concentreren als hij hier zogenaamd aan het klussen is en ga mooi naar binnen. Terwijl ik net naar binnen wil lopen vraagt m’n vader wat ik ga doen. Ik zeg dat ik het te warm vond buiten en binnen serieus ging werken. ‘Oh jammer, antwoordt hij, ‘het voelt juist zo goed als iemand ziet hoe geweldig aantrekkelijk ik aan het klussen ben’.

Het lijkt me overduidelijk: dit is inderdaad a full blown midlifecrisis. Maar om hem te steunen in deze moeilijke en onzekere tijd blijf ik voorlopig nog maar even buiten zitten. Ook best leuk eigenlijk.

(Net terwijl ik dit stukje op mijn weblog wil zetten vraagt mijn vader wat ik doe. Ik vertel dat ik een stukje over hem op mijn weblog ga zetten en of hij dat goed vindt. Dat vindt hij, als het maar wel een lovend stukje is. Ik vertel hem dat hij er helaas een wat bekaaid vanaf komt en hij kijkt een beetje beteuterd. Dreigend zegt hij: vergeet niet dat je morgen jarig bent en als je een mooi cadeau wilt moet je toch minstens vermelden dat ik een jonge knappe adonis ben. Oke. Bij deze dan.)

over regen, bosbessenpannenkoeken en warme dekens

Na vandaag drie keer te zijn natgeregend (en moeizaam opgedroogd), kan weinig deze dag nog redden. Maar ik doe mijn best. Even geen scriptie, maar wel een grote reep chocolade, een goed boek (Over de liefde van Doeschka Meijsing) en de cd van Fink op repeat. Met speciale aandacht voor het nummer Blueberry Pancakes. Zelden was een nummer zo mooi treurig en tegelijk zo troostrijk. Mijn tip van de dag voor vandaag.
Ga ik nu weer onder de warme dekens liggen.

Fink - Blueberry Pancakes (klik!)

dichten

Mijn goede vriend en romantische tweelingziel D. schreef mij eens dat hij er trots op is dat hij nog nooit een gedicht heeft geschreven. Dat lezend knikte ik begrijpend, maar wetende dat het een leugen is. Vriend D. heeft ze wel degelijk geschreven en zeker niet de minsten (wie weet onthul ik die nog eens). Het punt is dat zijn uitspraak treffend aan geeft hoe het met gedichten zit. Zo surfend over tal van weblogs en andere wereldwijdewebzijdes kom je ze regelmatig tegen. De gekweelde poëzie van huismoeders, onzekere pubermeisjes en een enkele brallerige student. Als ik deze gedichten lees voel ik vaak een mengeling van bewondering en plaatsvervangende schaamte. Bewondering om de peilloze diepten die blijkbaar achter de auteur schuilgaan en de poel van duistere en getergde gevoelens die er achter zit. Want daar gaat dichten voor mij over. Dat je de dingen zo voelt dat je er enkel recht aan doet door het in een gedicht te gieten. Omdat het toch maar gewoontjes beschrijven van de stroom heftige gevoelend de enorme lading aan emotie niet overbrengt. En daar zit ‘t ‘em ook vaak in met die plaatsvervangende schaamte. Zoveel gevoel is volgens mij maar voor een enkeling weggelegd, net als de gave der poëtica. En dus zijn de gedichten van amateurrijmers meer dan eens pijnlijk sneu en is het enige wat door het gedicht wordt overgebracht de ontoereikendheid en onmacht een fatsoenlijk stukje poëzie te produceren.

Maar ik heb makkelijk praten. Ik ben geen dichter. Natuurlijk heb ik het geprobeerd, zoals elk meisje (en een enkele verwarde jongen) dat eens in haar leventje doet, maar faalde hier jammerlijk in. Hoewel. Ik vond zojuist, tijdens mijn scriptie-ontwijkende-gedrag (mijn computer opschonen) een gedicht, dat ik ooit eens met heel veel gekweeld gevoel en getergde emotie schreef. Het heet ‘honger’ en ik vind het veelbelovend.

honger

vol onlesbare dorst
en ontembare honger
ga ik de wereld te lijf

open ik de koelkast
alle keukenkastjes
maar de taart, chips en drop

…heb ik allemaal al op

boksen

Het schrijven van een scriptie is niet leuk. Zeker niet in de zomermaanden. Gelukkig is het niet al te lekker weer en kijk ik niet vanachter mijn statistische programma's en duizenden pagina's gecodeerde data kwijlend naar buiten om vol jaloezie een schitterende zonnige wereld te zien, gevuld met mensen die wel tijd en geld hebben om de terrassen te bevolken en te genieten van hemelse biertjes met perfecte schuimkragen. Een nadeel van dit matige zomerweer is dat ik ter ontspanning (en voor de pure noodzaak) niet even een lekker rondje kan fietsen of hardlopen om de enorme scriptiedruk van de schouders te schudden. Gelukkig heb ik hier nu wat op gevonden. De Wii. U weet wel, de spelcomputer ontworpen om dikke Japanse kindertjes (die je nog niet met stokslagen aan het voetballen / oorlogje spelen / belletje lellen kunt krijgen) toch te laten bewegen. Hoewel ik altijd dacht het toch wel behoorlijk sneu is om als een malle voor je tv te schijn- bowlen / koortdansen / hoelahoepen, vergeet je dit op-de-één-of-andere-manier razendsnel als je met je virtuele persoontje gehuld in een pinguïnpak over een ijsschots buikschuift om visjes op te vangen. Hoe dan ook. Mijn favoriete Wii-spel is toch het boksen (met in het achterhoofd de vroegere nagesynchroniseerde TellSell Tae Bo videoband, met die enge neger die alsmaars riep "dubbel tempo", de eikel). Niets werkt zo stressverlichtend als maniakaal armzwaaien om zo tegenstander Theodore (die dan toevallig erg lijkt op mijn scriptiebegeleider) tegen de vlakte te werken.

Het moge duidelijk zijn: ik heb mijn sport gevonden. Wii Boksen is waarlijk de beste thuis-fitness-uitvinding sinds de tighmaster. Maar ik wil u allen toch op het hart drukken: doe het in een afgesloten ruimte en zorg alstublieft dat niemand u ziet.

tjonge

De man die voor me zat in de bus, stonk zo vreselijk uit zijn mond dat ik drie haltes eerder ben uitgestapt.

Het is me het dagje wel.

studieontwijkend gedrag

Een scriptie schrijven is niet leuk. Sarah Silverman gelukkig wel.

cliniclown

In de bus zitten een jongen en meisje naast elkaar. Het meisje vraagt naar de toekomstdromen van de jongen. Ze wacht het antwoord niet af en begint over haar fervente plannen. Haar grootste wens is cliniclown te worden. Ze praat verder over haar vooropleiding als clown en hoe belangrijk veel levenservaring is. Ze praat hard en snel, maar ik hoor haar al niet meer, ik kan alleen maar naar haar kijken. Ze heeft een driekwart spijkerbroek aan met daaronder een blauwe panty met glitters en extreem lelijke zwarte van Haren schoenen. Als dit meisje een kleur was dan was ze beige. Saai en nietszeggend.
Waarom zou zo iemand cliniclown willen worden? Ik snap het niet en kijk rond in de bus op zoek naar een medestander met wie ik even een betekenisvolle meewarige blik en dito opgetrokken wenkbrauw uit kan wisselen. Niemand, zelfs de jongen naast haar werkt niet mee, ondanks mijn priemende blik die hij enigszins verlegen ontwijkt. Het meisje praat nog steeds, het gesprek over haar wensdroomvervulling cliniclown te worden, gaat moeiteloos over in een wat luchtiger onderwerp: schoenen en hoe ze hier verslaafd aan is. Andermaal voor mij een reden de bus rond te spieden naar mensen die zich ook verbazen over de onzin die het meisje uitkraamt. Schoenen! Hoe kan zij nou verslaafd zijn aan schoenen?! Ze draagt lompe aftrappers met een laf hakje. Het type schoen waar verstandelijk gehandicapten op lopen: zo degelijk dat een paar een vulkaanuitbarsting / nieuwe ijstijd / kernexplosie zonder moeite overleeft.
De jongen naast haar heeft blijkbaar niet door dat er iets fundamenteel mis is met het meisje en de zaken waarover ze praat. Hij knikt en praat terug over schoenen en hoe hij het liefst op all stars loopt. Het meisje knikt geestdriftig: ‘Mijn moeder noemt all stars altijd clownsschoenen, misschien koop ik wel een paar als ik cliniclown ben, heb ik al verteld dat dat mijn grote wensdroom is?’.

Tijd om uit te stappen.

gele hesjes

Ik las zojuist in de krant ‘het gedonder in Rita’s partij voorbij is en er een nieuw bestuur is, zoals ze al had aangekondigd in Deventer’. Als ik dat lees, ben ik toch een beetje trots. Niet alleen omdat mijn geboortestad het baken der nieuw nieuws is, maar vooral omdat ik erbij was, in Deventer. Daar waar veel meer gebeurde dan er in de krant stond.

Vlak voor de plek des onheils (want zeg nou eerlijk) zag het blauw van de agenten. Of eigenlijk geel, want ze hadden allemaal van die hesjes aan, waardoor ik het altijd moeilijk vind ze serieus te nemen. Naast de ingang stonden drie hekken, met daarover heen gedrapeerd een spandoek met de pakkende slogan ‘Rita rot op’. Je moet er maar op komen. Er achter stonden ongeveer 20 mensen die in koor dezelfde woorden zongen, als voetbalhooligans, sommigen waren zelfs geschminkt. Op pamflet dat door de betogers werd verspreid werd een meeting aangekondigd waarbij ‘Rita’s ware gezicht’ getoond zou worden. Dat klonk goed en even overwoog ik Rita Rita te laten en de hooligans te volgen, tot ik de beveiligers bij de ingang zag. Toen was de keus snel gemaakt. Ik ben dol op beveiligers en hoop altijd dat ze me zullen fouilleren. Dat gevoel even crimineel te zijn, doet iets met me en weerhoudt me er waarschijnlijk van het echte criminele pad te bewandelen. Maar dat is weer een ander verhaal.

Om bij Rita in de buurt te komen moest ik langs een drietal beveiligers die mijn tas erg grondig doorzochten. Helaas werd ik niet gefouilleerd, maar er kwam wel een fotograaf op me af rennen om mij en de in beslag genomen inhoud van mijn tas (rotte tomaten, eieren, plakkaten nat wc-papier, -je kent het wel) op de gevoelige plaat vast te leggen.
Eenmaal binnen bleek Rita al begonnen. Ze was net op kinderlijke toon aan het uitleggen waar haar partij, pardon, beweging, voor staat en vulde dit aan met leuk bedoelde kwinkslagen en gevatte anekdotes (‘mannen moeten vrouwen een hand geven, ik heb daar zelf een beetje ervaring mee, zoals u weet, ha-ha-ha' *betekenisvolle blik*). Ze praatte op een soort kleuterdeuntje waar ik een beetje soezelig van werd en ik bedacht me dat ze vast goed zou voorlezen aan haar kleinkinderen. Ik zag het meteen voor me. Rita op de rand van het bed, met daarin een blij jongetje met frisgewassen haren en een SpongeBobpyjama. Rita leest voor uit een kinderboek over de brandweer en doet bij elke brandweerman een eigen stemmetje. Zoals ze dat nu ook doet als ze Bos of Balkenende citeert. Dat een zes-jarige erin trapt, à la, maar ook de mensen in de zaal, hooguit zestig –nogal treurig verspreid over de enorme massa stoelen, keken toch geboeid. De mensen vielen onder te verdelen in 4 categorieën: bejaarden (de meerderheid), de a-socialen (de man en vrouw voor mij: zij, blond getoupeerd suikerspin haar en panterlegging, hij: ontzettend dik, voetbalshirtje en spinnenwebtattoo op zijn elleboog), de journalisten en de bodygards. Ik vraag me nog steeds af in welke categorie ik paste.

Gelukkig was het snel tijd voor de vragen. Rita ging de mensen af gewapend met microfoon, een cameraploeg en horde fotografen in haar kielzog. Meneer één had een onsamenhangend verhaal over het grote onrecht dat hem is aangedaan, totáál niet boeiend, maar Rita, vakvrouw als ze is, veinsde interesse en vertelde de beste man dat als hij op haar zou stemmen problemen verdwijnen, geluk overal is en de zon altijd schijnt. De man knikte dankbaar.
Alle vragen die de rest van de avond worden gesteld komen voort uit het kleine leed van de middenstander (‘mijn zoon moet een dag minder werken omdat de kinderopvang zo duur is en ik vind het zo vervelend dat het vuilnis op woensdag wordt opgehaald, want dat ik net mijn uitslaapdag en ik word altijd wakker van die piepjes, kunt u daar geen programmapunt van maken?’). En zo legt de camera de verhalen vast van de drempels waar de sociale onderlaag van Deventer maar niet op eigen kracht overheen komt. Klein menselijk leed geserveerd met een sausje onbeduidendheid, smakelijk verorberd door onze Rita die elke gang omhelst alsof het haar galgenmaal betreft.

Ineens stond Rita naast me. Ik schrok toch een beetje, ook al kwam ze niet voor mij, maar voor de man naast me. Ze keek me een paar keer aan en ik overwoog even te knipogen of te doen of ik een pistool trok, maar liet het toch maar. Naast Rita, die er van dichtbij bést eng uitzag, stond de enorme cameraploeg en kiekjes schietende fotograaf. Ik probeerde me van mijn beste kant te laten zien (rechts) en trachtte geïnteresseerd maar toch verleidelijk richting Verdonk te kijken. Als ik dan op het nieuws kom, dan graag wel politiek correct. Het veinzen van interesse en lieftallig poseren viel nog niet mee, ik kreeg al snel kramp in mijn kaken van het beleefde lachen en oorpijn van het luisteren naar het zoveelste domme verhaal. Gelukkig ging ze snel weg (ik raakte haar in het voorbijgaan even stiekem aan), zodat ik zelf ongemerkt richting de uitgang kon schuifelen. Helaas waren de betogers al weg, maar de politie stond er nog steeds. En dus dronk ik even later een biertje met een in geel hesje getooide agent. ‘Heeft Rita nog iets belangrijks gezegd’, vroeg hij. Ik deed even alsof ik diep nadacht en zei toch maar ‘neuh’. ‘Ik had al zo’n vermoeden’, zei de agent, terwijl hij zijn gele hesje uitdeed, ‘moeten we ons daarvoor zo optuigen’ en hij knipoogde. Een hoogtepunt van de avond. Maar daarover lees je dus niets in de krant.

Jammer hoor.

ik voel mij al de hele week

zo.

Vangen_2

Nergens toe in staat. Zelfs niet tot het fatsoenlijk eten van een hotdog. Ik denk dat het veroorzaakt wordt door de niet-te-ontkennen-aanwezigheid-van-de-noodzaak-mijn-scriptie-nu-eindelijk-eens-af-te-maken. Dit werkt verlammend en vervelend. En tot overmaat van ramp barst nu, uitgerekend nu, de zomer in alle hevigheid los en doet mijn vers opgehangen luxaflex niet wat hij moet doen (warmte tegenhouden). Dat zijn zo van die dingen. En dus vermaak ik mij voornamelijk voor de ventilator en achter de computer met stompzinnige spelletjes, het eten van fruitjoys en zuchten richting mijn tamelijk karige scriptie-bestand. Tot meer ben ik nu even niet in staat. Ik hoop dat het snel beter wordt. Tot die tijd troost ik me met bovenstaande vrouw die geen hotdog kan eten: ik ben niet de enige die het moeilijk heeft.

honderd

Dit is zo min of meer het honderdste stukje op mijn weblog, bedacht ik me, toen ik in een leeg scherm zocht naar een beginzin. Ik vraag me af of ik hierbij stil moet staan en of enige vorm van reflectie gepast is. Ik hou niet zo van reflectie, iets te vaak kom je er achter dat het allemaal niet zo ging als je had gewild. Ik heb zojuist een werkstuk afgemaakt, met als doel te reflecteren op al het geleerde in de master Journalistiek. Dat viel best tegen, zo kwam ik achter, en ik voelde me schuldig dat ik mijn moeder nog steeds collegegeld laat betalen.
V. ligt nog in bed, ze is naakt. Op de één of andere manier sliepen wij op onze derde date al naakt en doen we dat nog steeds. Een keer, toen het erg koud was en wij boos op elkaar, sliepen we met pyjama aan, maar zelfs toen voelde het een beetje als bedrog. V. ligt opgerold met de dekens ingewikkeld om zich heen geslagen, waardoor haar billen bloot zijn. Ik mag daar graag naar kijken. Haar voeten, die een stukje uit het bed steken, wrijft ze tegen elkaar aan. Een soort onbewuste tic, ook zoiets enorm vertederends. Maar het leidt wel af, zo’n leuke bloterd in bed, net als ik wil reflecteren.
Plots moet ik denken aan de woorden van vriendin T., met wie ik jaren heb samengewoond. We lagen een keer samen in bed, toen ze uit het niets zei ‘weet je Jolien, je moet proberen niet in het verleden te leven. Niet teveel denken aan wat er is gebeurd en daarover bomen, zoals jij vaak doet. Je moet denken aan het heden en hoe leuk dat allemaal is’. Wijze woorden. Althans, toen vond ik het wel mooi, maar vooral onzinnig. Nu komt het me wel goed uit. Reflecteren is voor mietjes. Ik spring naast V. in bed en sla mijn benen om haar heen. Ze wordt wakker en draait zich slaperig om, terwijl ze me lachend goeiemorgen wenst. Ik kus haar flink in haar nek en besluit niet te denken aan de honderd stukjes, maar vooral snel eens een stukje te schrijven over de mooie billen van V. en haar zoete zachte kussen. Misschien morgen.

van die momenten

Soms heb je van die momenten dat het niet echt wil, het leven. Ik weet niet wat het is, maar deze week kost alles me moeite. Opstaan, in slaap vallen en alles er tussen in, -zoals ze dan zeggen. Vandaag was eigenlijk een goede dag met lekker weer en nuttige opvulling. Eindelijk dat verslag af, de koelkast gemaakt en zakelijke telefoontjes gepleegd. Maar toch wil het niet vlotten, deze dag. Gister ook al niet. Toen bracht ik de dag door met de Sex and the City shoebox en een familiepak Cruesli. Cadeautje van V., die dvdbox, niet de cruesli, als goedmakertje voor onze eerste ruzie, een paar weken geleden. Gister hadden we weer ruzie, ik vroeg nog of ze nu misschien seizoen drie van Grey’s Anatomy wilde kopen, maar ik denk niet dat dat er in zit, want ze sloeg de deur boos dicht.

Vandaag besloot ik dat ik eindelijk een nieuwe broek moest kopen. Ik hou niet van broeken kopen, sowieso niet van kleren kopen. Ik hou niet van de drukte in kledingwinkels en de lucht die er hangt. Op de één of andere manier hangt er altijd dezelfde lucht, een beetje klam, alsof er net de weinig zuurstof in zit.
Eenmaal in de winkel kwam ik er achter dat ik beter niet had kunnen gaan, maar dat was natuurlijk te laat. Alle leuke kleren hadden ze nét niet in mijn maat en al het andere was stom. Het was vies warm in de paskamer, alsof er net een dikke vrouw in had staan zweten. Toen ik dat dacht schrok ik even, misschien was ik dat wel. Ik rook even besmuikt aan mijn oksel, maar ik rook nog steeds lentefris naar mannendeodorant. Ik zweer bij mannendeodorant, de zwarte van Rexona. Niet erg mannelijk, maar een tikje zoet en gegarandeerd zonder zweetgeur en witte strepen. Het was slechts een schrale troost dat ik het niet was die zo stonk en dus liet ik mijn voornemen een broek te kopen bij een voornemen en fietste naar huis. Nadat ik de koelkast had gemaakt, afgewassen, opgeruimd en onder het eten van een toch erg lekkere salade twee afleveringen van Sex and the City had gekeken, voelde ik me nog steeds niet veel beter.

Terwijl ik dit typ zit ik in de trein en kijk afwisselend van mijn scherm naar het voorbij razende landschap. Heel veel weilanden, bossen en een hemel die roodgekleurd is, alsof de ondergaande zon afgeeft. Wat me doet denken aan mijn waterproof mascara, ik had nieuwe moeten kopen, nu ik me heb voorgenomen weer make-up te gebruiken. Ach ja. Ik drink mijn koffie op en kijk verder naar buiten. De weilanden hebben iets rustgevends. Morgen wordt vast een goede dag.

ademdood

V. en ik liggen op bed. Ik heb haar polsen vast en probeer in haar gezicht te ademen. Net daarvoor zei ze dat ze niet meer met wilde zoenen tot ik mijn tanden had gepoetst. Die dingen moet je natuurlijk niet zeggen. Dat weet ze. En dus zat er maar één ding op, mijn eigen variant op de kieteldood: de ademdood. Ik ben sterker dus we weten allebei dat ze verliest. Ik blaas in haar gezicht, zij houdt haar adem in, slaakt wat gilletjes als ze wel moet ademen en smoort dan “joliehien ik stik, ik stik”. Inmiddels krijg ik de slappe lach en probeer haar stug dood te walmen. Ik denk dat ik zo wel iets weg heb van een zwangere zeekoe, maar dat terzijde. Als ik even later buiten adem maar nog steeds giechelend naast V. ga liggen kijkt ze me boos aan. ‘Je lijkt wel geestelijk gehandicapt’, zegt ze. ‘Ja, je wil de hele tijd maar snoezelen en moet ik de hele tijd maar zeggen ‘niet doen!’”. Ik lach en probeer haar te kussen. ‘Niet doen’, zegt ze. Dan draai ik me maar bozig om. Maar ze trekt het kussen van mijn hoofd en zegt ‘en je gezicht lijkt ook heel erg op een mongooltje, maar dat heb ik altijd al gevonden’. Daar kan geen adem tegen op. V. heeft gewonnen.

over slapen en weilanden en hoe dit een slechte combinatie is

Ik lig op mijn rug in het donker en luister naar de geluiden om me heen. Ik ben zo iemand die het liefst in complete stilte en donkerte tegen haar lief aankruipt en pas dan écht lekker slaapt. Helaas lijkt mijn huidige situatie in niets hierop. Ik lig hier alleen. Op een half leeggelopen mini-luchtbed. In een tent. In het weiland van de ouders van vriendin S. Drie grasvelden, een omheining schrikdraad en een paardenstal met heel eng grote paarden weg van de boerderij. De veilige boerderij. Met warmte en een wc en een leeslampje en een stopcontact voor mijn laptop. Maar nee, ik lig in een tent. Alleen. Dat wil zeggen, vriendinnen T., E. en natuurlijk S. liggen iets verderop. Ik denk dat ze al slapen, want niet alleen hoor ik niets, behalve het enorme kikvorsconcert en een plaag krekels (of wat die achtste plaag ook mocht zijn), ze reageerden vijf minuten geleden ook niet op mijn “slapen jullie al?”. Ik snap best dat die vraag na een keer of vier een beetje vervelend wordt, maar niets zo naar dan je helemaal eenzaam en alleen te voelen in een koud en eng weiland. Dan kunnen ze best even wakker blijven en me zo nu en dan even gerust stellen. Vind ik dan. Eigenlijk wil ik gewoon heel stoer zijn. Of nou ja, is het wel stoer om lekker te slapen in een tent? Is het niet veel stoerder weilanden, schrikdraad en paarden te trotseren en fijn naast vriendin K., die natuurlijk wél in het huis mocht slapen (@#$%^!), te duiken? Of moet ik gewoon blijven liggen? Of misschien buiten een rondje lopen? Shit, wat hoorde ik daar? Kunnen paarden over schrikdraadomheiningen springen? Knabbelt er daar iets aan mijn tent? En was het de hele tijd al zo muf? Mijn god, straks stik ik hier in een tent in een zompig weiland in Wijhe. Het zal je maar gebeuren. Nee. Ik instrueer mezelf in gedachten. Maak het hoofd leeg, rustig ademhalen en proberen aan niets te denken. Of anders aan fijne dingen. Het werkt. Twee seconden. Dan bedenk ik dat ik toch echt heel erg moet plassen. En hoe hard ik ook tegen mezelf zeg dat ik voor het ‘slapen gaan’ (hmpf) nog twee keer ben geweest, ik moet alleen maar meer en meer. Ook zoiets hè. Waarschijnlijk moet ik niet eens. Ik word helemaal gek in deze tent. Oké dan maar.
Wanhopig probeer ik me te herinneren of iemand een wc-rol heeft meegenomen en waar ookalweer ze de zaklamp hadden gelegd. Ik rits mijn tent open, struikel naar buiten terwijl ik me in mijn All Stars probeer te wurmen en hoop heel erg dat het vochtige aarde is waar ik met mijn beide handen in terecht kwam. Ik denk dat ik toch echt ontzettend moet plassen. Geen tijd om de vermeend aanwezige wc-rol te zoeken, laat staan de survivaltocht naar het huis te ondernemen. En dus slik ik al mijn trots is en laat mijn broek zakken. Midden in een weiland. Terwijl ik zachtjes zojuist bedachte mantra’s fluister als ‘eens maar nooit weer, eens maar nooit weer’ en ‘niemand ziet je, niemand ziet je, niemand ziet je’. Mijn god, zijn dat de paarden? Nog voor ik uitgedruppeld ben spring ik met mijn broek op de knieën op en hinkel naar achter, voor een aantal dubieuze schaduwen. Een paar jonge boompjes, zo blijkt even later. Met mijn broek klam, van wat ik hoop dat ochtenddauw is (het is per slot van rekening al kwart over vier), struikel ik over een tentlijn en val op mijn luchtbed dat van schrik nog wat verder leegloopt.
Als ik een kwartier later nog niet slaap (ik kijk om de minuut hoopvol op mijn telefoon) en me steeds meer zorgen ga maken om de dingen die ik in mijn slaapzak voel (klontjes aarde, zeg ik tegen mezelf, -enorme spinnen, vrees is) besluit ik mijn lief te bellen. Nadat de telefoon veel te lang over gaat neemt V. op. Slaperig probeert ze me heel lief serieus te nemen, maar ze komt niet veel verder dan ‘komttochwelgoedschatjekusje’. Boos druk ik haar weg en besluit het nog een kwartier te proberen. Als er dan geen verbetering optreedt, ga ik richting het huis.
Ik probeer het echt. Ik wikkel me diep in mijn slaapzak, draai een paar keer van links naar rechts en denk rustig ademend aan fijne dingen als paprika ribbel chips en scripties die af zijn. Het helpt geen zak. En dus wurm ik me weer uit de tent, struikel over een stel haringen en slaak een klein gilletje omdat ik denk dat ik in iets sta (een naaktslak? een drol?) (het was een sok). In het vage schijnsel van mijn telefoon, die ik zo heel triest voor spaarzame verlichting en een vals gevoel van veiligheid voor me uit steek, weet ik de schrikdraadomheining te bereiken en zelfs zonder schok te overwinnen. Ik loop een halve kilometer en ontwijk zelfs de briesende paarden. En dan, als ik denk dat ik er bijna ben en héél zachtjes de roestige klink naar beneden druk, besef ik dat de deur op slot zit en de sleutel in de zak van de pyjamabroek van S. zit, die in haar tent ligt, twee enge paarden, een schokkerige omheining en drie weilanden verder.

Zowel het vooruitzicht de rest van de nacht in de tent te liggen als het twee keer de helse weg afleggen en S. wakker maken spreekt me niet echt aan. Laat ik het zo zeggen, ik heb wel betere donderdagnachten gekend. Ik overweeg mijn opties (hard op de deur bonzen, hopend dat de ouders van S. me niet vermoorden, me naast de paarden in het hooi nestelen en de 17 kilometer naar mijn ouderlijk huis lopen). Ik kies er voor vriendin K. wakker te bellen en te vragen de deur open te doen. Vier pogingen later en de wanhoop nabij, neemt ze eindelijk op. Slaperig opent ze de deur en duikt meteen weer haar bed in. Ik glip naar de wc en even later naar de woonkamer. Inmiddels is het een uur of zes, het is buiten zo goed als licht en ik hoorde zojuist een haan kraaien. Ik denk dat ik nog even op de bank ga liggen. Morgen weer een vriendinnendag voor de boeg. Gezellig.

dik en loom

We zijn nog steeds in Drenthe. In de dierentuin van Emmen. Voor de derde keer. Lang leve de gratis kaartjes van Super de Boer. Van V. hoeft ‘t niet zo, maar ze is lief en laat me. Ik sta al een half uur bij de nijlpaardenrots. Nijlpaarden zijn de één-na dodelijkste dieren van het continent Afrika. Op één staat de malariamug. Nijlpaarden zijn mijn lievelingsdieren. Ik weet niet wat het is. Ik denk dat ik me ergens identificeer met dat lome. Volgens mij onderschatten mensen nijlpaarden en zien ze alleen dat dikke en langzame terwijl ze vergeten hoe snel en dodelijk de dieren kunnen zijn. Zo denk ik soms ook dat mensen mij onderschatten en vergeten hoe snel en dodelijk ik kan zijn. Maar dat is een heel ander verhaal. Nu sta ik bij de nijlpaarden, voor de tweede keer vandaag en misschien wel de tiende keer deze week. Ik vind het rustgevend. Niet zo lang geleden was ik in Artis, op bezoek bij nijlpaard Tanja. Maar daar was niet zoveel aan. Tanja zat in een soort pierenbadje en deed niets dan met grote hondenogen (kan dat bij een nijlpaard?) naar de bezoekers kijken. Nee, dan de nijlpaarden in Emmen. Elf stuks, inclusief een baby nijlpaardje. Eigenlijk was dit de hele reden dat we naar Drenthe gingen, zodat ik nijlpaarden kon kijken. Zelden zo opgetogen geweest voor een vakantie. V. komt terug met een flesje water en zegt ‘sta je nou nog steeds bij de nijlpaarden te kwijlen, gekkie?’. Ik doe net of ik het niet hoor en zeg tegen mezelf dat het heus niets geeft en dat ik bijna twee universitaire mastertitels heb en ik dus best wegkom met kwijlen naar nijlpaarden. Voor de zekerheid maak ik nog een paar foto’s, want ik weet dat V. me zo meetrekt, zoals ze dat al negen keer eerder heeft gedaan. Er komt een klein meisje voor me staan samen met haar oma. Bij het zien van het baby nijlpaardje verzucht de oma ‘ahh wat schattig’. ‘heus niet’, spreekt het meisje streng, ‘ze zijn heel gevaarlijk en kunnen je zo doodmaken, hoor’. Ik kijk het meisje glimlachend aan en knik ter bevestiging. Ik wil nog zeggen dat ze de één-na dodelijkste dieren van Afrika zijn, maar dan sleurt V. me mee naar de uitgang. Maar dat geeft niet. Morgen is er weer een dag.

de grootste en de naakste

We zijn in de dierentuin van Emmen. Rechts van de ingang zijn de krokodillen en naakte molratten. Ik wijs V. verbaasd op de bordjes en sleur haar mee. Ik snap niet waarom deze twee diersoorten bij elkaar zijn gezet en nog minder wat naakte molratten zijn. Gelukkig komen we snel achter het laatste (hoe onaantrekkelijk het ook klinkt, je gaat toch kijken hè). Molratten zijn vieze naakte ratten (de naam zegt het al) die leven in een enorm gangenstelsel bestaande uit doorzichtige buizen. Nu ik de dieren heb gezien snap ik nog steeds niet waarom ze de krokodillen en naakte molratten bij elkaar hebben gezet en nog minder waarom deze afzichtelijke dieren zo dicht bij de ingang staan. Bange kinderen en misselijke twintigers (that would be me) lijken me toch niet de bedoeling?
Voor de vitrine staat een bordje met informatie over de wonderlijke wezens. Zo zegt het ‘zoek de grootste naakte molrat, dat is de koningin’. Terwijl ik het lees komt er een vrouw naast me staan. Ze roept haar kinderen en instrueert ze: ‘zoek de grootste en de naaktste molrat, dat is de koningin’. Op zoek naar de naaktste naakte molrat hebben de kinderen uren voor de vitrine gestaan. Althans dat denk ik. Na twintig minuten ben ik maar verder gelopen. Zo werd het toch nog een goed begin van de dierentuin.

Naakte_molrat

over drenthe

V. en ik zitten in de extreem luxe auto die het hotel heeft gestuurd om ons op te halen. Drenthe is fascinerend, in al haar facetten. Zo komen we in het dorpje Exloo langs de Weerdingerweg nummer 34. Een twee-onder-één-kap-woning waar een gigantisch spandoek hangt met de tekst “Hier komt party centrum De Luie Voet”. Veel leuker wordt het natuurlijk niet.

Soms zijn er dingen belangrijker dan webloggen en betamelijk aan school werken. Romantische uitjes naar het onontdekte boerenland bijvoorbeeld. Zo zit ik al een tijdje in Drenthe met V. In een veel te luxe hotel, wat ons toch erg goed staat. En zo vul ik mijn tijd met midgetgolf, zwemmen, hooikoorts-zelfmedicatie en in de rij staan bij het fantastische ontbijtbuffet. Want terzijde, er is in mijn ogen weinig leuker of feestelijker dan een ontbijtbuffet. Inmiddels schaamt V. zich er een beetje voor, want zo na anderhalve week valt het wel op, hoe ik elke ochtend blij als een kind met afgeladen borden af en aan struikel om lyrische redes te houden over de watermeloen of kleine pannenkoekjes. Maar hee, ik vind: het leven is kort en ontbijtbuffetten moeten ten volle gevierd worden. Hoe dan ook, Drenthe is mooi en in het bubbelbad met V. is nooit een straf geweest. Ik hou het hier nog wel even vol.