Ik las zojuist in de krant ‘het gedonder in Rita’s partij voorbij is en er een nieuw bestuur is, zoals ze al had aangekondigd in Deventer’. Als ik dat lees, ben ik toch een beetje trots. Niet alleen omdat mijn geboortestad het baken der nieuw nieuws is, maar vooral omdat ik erbij was, in Deventer. Daar waar veel meer gebeurde dan er in de krant stond.
Vlak voor de plek des onheils (want zeg nou eerlijk) zag het blauw van de agenten. Of eigenlijk geel, want ze hadden allemaal van die hesjes aan, waardoor ik het altijd moeilijk vind ze serieus te nemen. Naast de ingang stonden drie hekken, met daarover heen gedrapeerd een spandoek met de pakkende slogan ‘Rita rot op’. Je moet er maar op komen. Er achter stonden ongeveer 20 mensen die in koor dezelfde woorden zongen, als voetbalhooligans, sommigen waren zelfs geschminkt. Op pamflet dat door de betogers werd verspreid werd een meeting aangekondigd waarbij ‘Rita’s ware gezicht’ getoond zou worden. Dat klonk goed en even overwoog ik Rita Rita te laten en de hooligans te volgen, tot ik de beveiligers bij de ingang zag. Toen was de keus snel gemaakt. Ik ben dol op beveiligers en hoop altijd dat ze me zullen fouilleren. Dat gevoel even crimineel te zijn, doet iets met me en weerhoudt me er waarschijnlijk van het echte criminele pad te bewandelen. Maar dat is weer een ander verhaal.
Om bij Rita in de buurt te komen moest ik langs een drietal beveiligers die mijn tas erg grondig doorzochten. Helaas werd ik niet gefouilleerd, maar er kwam wel een fotograaf op me af rennen om mij en de in beslag genomen inhoud van mijn tas (rotte tomaten, eieren, plakkaten nat wc-papier, -je kent het wel) op de gevoelige plaat vast te leggen.
Eenmaal binnen bleek Rita al begonnen. Ze was net op kinderlijke toon aan het uitleggen waar haar partij, pardon, beweging, voor staat en vulde dit aan met leuk bedoelde kwinkslagen en gevatte anekdotes (‘mannen moeten vrouwen een hand geven, ik heb daar zelf een beetje ervaring mee, zoals u weet, ha-ha-ha' *betekenisvolle blik*). Ze praatte op een soort kleuterdeuntje waar ik een beetje soezelig van werd en ik bedacht me dat ze vast goed zou voorlezen aan haar kleinkinderen. Ik zag het meteen voor me. Rita op de rand van het bed, met daarin een blij jongetje met frisgewassen haren en een SpongeBobpyjama. Rita leest voor uit een kinderboek over de brandweer en doet bij elke brandweerman een eigen stemmetje. Zoals ze dat nu ook doet als ze Bos of Balkenende citeert. Dat een zes-jarige erin trapt, à la, maar ook de mensen in de zaal, hooguit zestig –nogal treurig verspreid over de enorme massa stoelen, keken toch geboeid. De mensen vielen onder te verdelen in 4 categorieën: bejaarden (de meerderheid), de a-socialen (de man en vrouw voor mij: zij, blond getoupeerd suikerspin haar en panterlegging, hij: ontzettend dik, voetbalshirtje en spinnenwebtattoo op zijn elleboog), de journalisten en de bodygards. Ik vraag me nog steeds af in welke categorie ik paste.
Gelukkig was het snel tijd voor de vragen. Rita ging de mensen af gewapend met microfoon, een cameraploeg en horde fotografen in haar kielzog. Meneer één had een onsamenhangend verhaal over het grote onrecht dat hem is aangedaan, totáál niet boeiend, maar Rita, vakvrouw als ze is, veinsde interesse en vertelde de beste man dat als hij op haar zou stemmen problemen verdwijnen, geluk overal is en de zon altijd schijnt. De man knikte dankbaar.
Alle vragen die de rest van de avond worden gesteld komen voort uit het kleine leed van de middenstander (‘mijn zoon moet een dag minder werken omdat de kinderopvang zo duur is en ik vind het zo vervelend dat het vuilnis op woensdag wordt opgehaald, want dat ik net mijn uitslaapdag en ik word altijd wakker van die piepjes, kunt u daar geen programmapunt van maken?’). En zo legt de camera de verhalen vast van de drempels waar de sociale onderlaag van Deventer maar niet op eigen kracht overheen komt. Klein menselijk leed geserveerd met een sausje onbeduidendheid, smakelijk verorberd door onze Rita die elke gang omhelst alsof het haar galgenmaal betreft.
Ineens stond Rita naast me. Ik schrok toch een beetje, ook al kwam ze niet voor mij, maar voor de man naast me. Ze keek me een paar keer aan en ik overwoog even te knipogen of te doen of ik een pistool trok, maar liet het toch maar. Naast Rita, die er van dichtbij bést eng uitzag, stond de enorme cameraploeg en kiekjes schietende fotograaf. Ik probeerde me van mijn beste kant te laten zien (rechts) en trachtte geïnteresseerd maar toch verleidelijk richting Verdonk te kijken. Als ik dan op het nieuws kom, dan graag wel politiek correct. Het veinzen van interesse en lieftallig poseren viel nog niet mee, ik kreeg al snel kramp in mijn kaken van het beleefde lachen en oorpijn van het luisteren naar het zoveelste domme verhaal. Gelukkig ging ze snel weg (ik raakte haar in het voorbijgaan even stiekem aan), zodat ik zelf ongemerkt richting de uitgang kon schuifelen. Helaas waren de betogers al weg, maar de politie stond er nog steeds. En dus dronk ik even later een biertje met een in geel hesje getooide agent. ‘Heeft Rita nog iets belangrijks gezegd’, vroeg hij. Ik deed even alsof ik diep nadacht en zei toch maar ‘neuh’. ‘Ik had al zo’n vermoeden’, zei de agent, terwijl hij zijn gele hesje uitdeed, ‘moeten we ons daarvoor zo optuigen’ en hij knipoogde. Een hoogtepunt van de avond. Maar daarover lees je dus niets in de krant.
Jammer hoor.